ISRAELS I.L. (ISAAC)

Guusje van Dongen met Mandoline

Olieverf/doek: 100 x 75 cm      1916 (ca)

In 1916 schilderde Isaac Israels (1865 – 1934)  deze exotische Spaanse dame met mandoline. Sinds zijn reis naar Spanje in 1894, samen met zijn vader Jozef en zijn beste vriend, de schrijver Frans Erens, had dit motief hem geïntrigeerd. Sinds die tijd schilderde hij regelmatig trotse Spaanse vrouwen, in klederdracht en vaak met een bloem in het haar. Isaac was niet de enige: ook zijn collega’s Jacobus van Looy, Piet van der Hem, Kees Maks en Jan Sluijters gingen naar Spanje en kwamen terug met schilderijen van flamencodanseressen, kleurig geklede zigeuners en stierenvechters.

Dit schilderij is echter meer dan de uitwerking van een kleurig en exotisch motief. Het is ook een portret. Israels was te goed als portretschilder om mensen te kunnen schilderen zonder dat hun persoonlijkheid doorklonk. Zelfs zijn naakten en fabrieksmeisjes zijn altijd individuen. Het model op dit schilderij is Guusje van Dongen, de vrouw van zijn collega Kees van Dongen. Hij liet haar poseren als exotisch type in kleurige Spaanse dracht, compleet met mandoline. Zij poseert wat onwennig in haar blauw en oranje jurk. In 1916 schilderde Israels haar verschillende malen, toen zij, gedwongen door de Eerste Wereldoorlog, niet terug kon naar haar woonplaats Parijs. Dit schilderij is een hoogtepunt in die reeks.

Isaac Israels was niet alleen de virtuoze schilder van het moderne (stads)leven, hij was ook een bijzonder begaafd portrettist. Vooral in de laatste fase van zijn leven maakte hij in opdracht portretten van belangrijke Nederlanders. Ook in dit genre bleven vrouwen zijn favoriete onderwerp. Zijn hele leven had hij het liefst dienstmeisjes, Amsterdamse straatmeiden, telefonistes, mannequins in warenhuizen en naaktmodellen getekend en geschilderd. Ook zijn vrouwenportretten vormen hoogtepunten in zijn oeuvre, zoals van de spionne Mata Hari, de eerste vrouwelijke arts Aletta Jacobs en de actrice Fie Carelsen. Isaac Israels was gewend een snelle karakteristiek te geven van zijn modellen. Een rake typering moest in één keer op het doek verschijnen. Als het niet meteen lukte begon hij opnieuw in plaats van aan het schil­derij door te werken. “Je moet niet te lang op de dingen doorgaan, dan krijg je er een dégout van”, vond hij. Zijn beste schilderijen zijn dan ook levendig, spontaan en precies goed getroffen.

Guusje van Dongen was zelf kunstenaar. Ze was geboren in 1878 in Keulen als Augusta Preitinger, de dochter van een Duitse koopman. Als 4-jarige verhuisde ze met haar ouders naar Rotterdam. Ze studeerde daar later aan de Rotterdamse Academie, waar ze de latere wereldberoemde schilder Kees van Dongen leerde kennen. Zij vertrok in 1895 naar Parijs. Van Dongen kwam haar twee jaar later achterna. Ze trouwden daar in 1901. In 1905 verhuisden ze naar Le Bateau-Lavoir in Montmartre, waar ook Pablo Picasso woonde.

In 1914 ging Guusje van Dongen met haar dochter Dolly naar Nederland om haar familie te bezoeken. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak kon ze niet meer naar huis en het duurde tot 1918 voor ze naar Parijs konden terugkeren. Hun huwelijk overleefde die lange scheiding overigens niet. Toen ze terugkeerde naar Parijs bleek haar man een relatie te hebben met modeontwerpster Jasmy Jacobs. Na haar scheiding vervolgde Guusje haar carrière als schilder in Parijs en bleef de naam Van Dongen gebruiken.