Romantische schilderskunst is heel gezond
'Romantische schilderskunst is heel gezond' door LIEN HEYTING
Gesprek met kunsthandelaar Peter AlbrichtPeter Albricht handelt al dertig jaar met hart en ziel in Hollandse schilderkunst. Recente aantijgingen dat er een overdaad aan valse kunst op de markt wordt gebracht, werpt hij verre van zich.
Het is een landschap van rivieren, uiterwaarden, heuvels, bos en weilanden - de Veluwezoom bij het dorp Oosterbeek. Langs de paden waar anderhalve eeuw geleden schilders als Gerard Bilders, Anton Mauve en Willem Roelofs met hun veldezels liepen, zijn nu `kunsthistorische wandelingen' uitgezet. Oosterbeek was in het midden van de negentiende eeuw het `Barbizon van Nederland', waar tientallen kunstenaars neerstreken om het landschap en plein air weer te geven.
Niet alleen de oude schilderspaden herinneren aan de artistieke bloei van Oosterbeek. Midden in het dorp staat het voormalige gemeentehuis uit 1866, een parmantig bouwwerk met een klokkentorentje en een plechtige entree. Voor de ingang ligt nu een rode loper en tegen de gevel hangt een bord: Heden expositie. Sinds vorig jaar huist hier Kunstgalerij Albricht, een van de belangrijkste handelaren in Nederland op het gebied van de Hollandse schilderkunst uit de periode 1850 tot 1925. Dit najaar viert oprichter Peter Albricht (64) zijn 30-jarig jubileum als kunsthandelaar met een tentoonstelling van romantische, impressionistische en kubistische kunst. Tussen de doeken van schilders als Isaac Israëls, Breitner, Schotel, Apol, Arntzenius, Sluijters en Gestel hangen ook werken die in Oosterbeek zijn gemaakt, zoals een Landschap met figuren van Johannes Bilders. Voor Albricht was het `schildersverleden' van Oosterbeek aanleiding om zich hier met zijn kunsthandel te vestigen. ,,Het idee dat de schilders die hier werkten in 1866 dit raadhuis hebben zien verrijzen en er misschien wel binnen zijn geweest, sprak me ook aan.''
Peter Albricht vertelt hoe hij als puber alle schilderijen natekende die thuis aan de muur hingen. Hij wilde naar de kunstacademie, maar zijn vader, een jurist, associeerde kunst met armoede en gaf geen toestemming. Na de middelbare school ging hij in militaire dienst. Hij werd marine-officier op een mijnenveger, wat door zijn permanente zeeziekte `niet vol te houden' was. In die tijd begon hij al met het verzamelen van kunst en ook tijdens zijn studie economie in Amsterdam liep hij fanatiek alle veilinghuizen en antiquairs af. Kort voor het eind van zijn studie besloot Albricht zelf de kunsthandel in te gaan. In 1973 opende hij in Arnhem een winkel in negentiende-eeuwse schilderijen: ,,Het was vlak voor de oliecrisis, een moeilijke tijd, en daarom ging ik ook kunst- en antiekbeurzen in kastelen organiseren. Een deel van de Tefaf en de PAN is bij mij op die beurzen begonnen.''
In 1986 was hij door ziekte gedwongen zijn expositiezalen in Arnhem te sluiten, maar hij zette zijn handel voort vanuit zijn woonhuis in Velp. Toen zijn zoon Bob in 1997 ook in de zaak kwam, gaf die te kennen dat hij het beter vond om weer een echte kunsthandel te hebben, met openingstijden. ,,De keus voor Oosterbeek was toen snel gemaakt.''
Albricht aarzelt op de vraag of de recessie de laatste jaren veel invloed heeft gehad op de kunsthandel. ,,De verkoop is in de breedte wat teruggelopen, maar de prijzen van de topstukken stijgen nog steeds en alleen de mindere werken zijn moeilijker te verkopen.'' Hij vertelt dat zijn kopers niet alleen uit Nederland komen, maar ook uit België en Duitsland.
Artsen
,,In de jaren zeventig, toen ik als kunsthandelaar begon, bestond zo'n zeventig procent van mijn klantenbestand uit artsen. Nu zijn het meer mensen uit het bedrijfsleven, veel captains of industry. Het publiek is iets jonger geworden, maar de meeste mensen die hier schilderijen kopen zijn boven de veertig. Het zijn zowel genieters als beleggers. Sinds de aandelen zo gezakt zijn is kunst weer in trek als een alternatieve vorm van belegging. Ik hoor veel mensen zeggen: `Ik wil niks meer met aandelen te maken hebben, ik heb er een trauma aan overgehouden', en die stoppen hun geld nu in kunst. Als een particulier een schilderij dat hij thuis aan de muur heeft hangen verkoopt, dan is de winst belastingvrij. Bij aandelen moet vermogensrendementsheffing worden betaald en daarvan is de belegging in kunst ook vrijgesteld. Er zijn dus fiscale voordelen. En de waardestijging op termijn is interessant. Het is niet voor niets dat pensioenfondsen in Engeland en Frankrijk veel in kunst beleggen.''
Een groot deel van zijn publiek is vooral geïnteresseerd in schilderijen uit de Hollandse romantiek. Albricht heeft daar wel een verklaring voor: ,,De voorstellingen op die schilderijen zijn gedetailleerd weergegeven, ze zijn begrijpelijk. Een dorpsgezicht geeft een mooi beeld van onze geschiedenis dat verder geen interpretatie of uitleg nodig heeft. Veel mensen die nog niet zo zijn ingevoerd in de kunst vinden dat aantrekkelijk. Hollanders houden van gezelligheid en de romantische schilderkunst toont iets van het oude Nederland, het Nederland van de koek en zopie, zonder files en flatgebouwen. Die kunst brengt je terug naar een tijd dat de horizon nog een horizon was. De horizonten zijn nu verkocht aan projectontwikkelaars. Tussen Arnhem en Nijmegen zie je nog weilanden, maar binnen vijf jaar zijn die steden aan elkaar gegroeid en dat gebeurt overal. Daarom is die romantische schilderkunst heel gezond: het geeft mensen een gelukkig gevoel. Het maakt ze los van de zorgen van deze wereld.''
Hij geeft toe dat die schilderkunst wel eens al te veel naar zoetelijke plaatjes neigt: ,,Ja, de Hollandse romantiek sloeg wel eens door naar weeïge tafereeltjes. Maar in die periode waren er ook grote talenten, de schilderijen van bijvoorbeeld Wouter Verschuur of Andreas Schelfhout vind ik prachtig. Er zal altijd een markt blijven voor de romantische kunst, maar de laatste jaren zie ik de smaak van de jongere generatie kopers verschuiven naar het Hollandse impressionisme van bijvoorbeeld Isaac Israëls, naar mondaine voorstellingen, geschilderd in een losse toets en montere kleuren. Donkere kleurstellingen, zoals bij die Larense binnenhuisjes, zijn uit de mode. Door de ontkerkelijking is er ook nauwelijks meer belangstelling voor kerkinterieurs, die raak je niet meer kwijt.''
Op de grote beurzen, de Tefaf en de PAN (die over twee weken in de Amsterdamse RAI wordt gehouden) verkoopt Albricht vaak aan buitenlanders, zowel uit Europa als Amerika en Japan. Maar doorgaans probeert hij de Nederlandse kunst zoveel mogelijk in Nederland te houden, al is dat niet makkelijk. ,,Een kunsthandelaar die een schilderij binnen Europa verkoopt moet negentien procent BTW afdragen over de winstmarge. Het is dus voordeliger om het aan een Japanner of Amerikaan te verkopen. Daardoor is een enorme vlucht van Nederlands cultureel erfgoed naar landen buiten de EU ontstaan. Vorig jaar is in de EU voor 300 miljoen euro aan kunst meer uitgevoerd dan ingevoerd. Als dat nog even zo doorgaat hebben we ons culturele erfgoed verkwanseld aan rijke Texanen.
,,Er zijn in Nederland te veel regels en restricties voor de kunsthandel en er wordt te veel belasting op geheven. Op de Tefaf zie je hoe Amerikaanse handelaren die daar een schilderij verkopen, afspreken om het contract in New York op te stellen om de Nederlandse fiscus te omzeilen. Als we onze kunst in Nederland veilig willen stellen dan moet niet alleen de BTW-heffing omlaag, maar dan moet ook het kopen van een Nederlands schilderij voor de particulier in Nederland aftrekbaar zijn.'' Na mijn tegenwerping dat de hoge inkomens dan nog meer bevoordeeld zouden worden, antwoordt Albricht: ,,Mensen met een modaal-plus inkomen zoeken ook naar aftrekposten en die kunnen dan eens een mooi schilderij kopen. Maar het belangrijkste is dat er dan meer in Nederland blijft.''
Albricht koopt zijn kunst meestal in bij particulieren. Twee dagen per week trekt hij er met zijn zoon Bob op uit, `op jacht' naar schilderijen. ,,Ze worden niet aan de deur afgeleverd, je moet er actief voor zijn. Soms krijg ik een klein signaal en dan komen we ineens terecht bij een prachtige collectie. Er komt hier bijvoorbeeld iemand kijken en die zegt: `Mijn tante heeft ook zo'n schilderij.' Dan ben ik wel zo vrij om te vragen: `Misschien wilt u een goed woordje voor me doen?' En dan kan 't zijn dat je later gebeld wordt.
,,Maar het gaat steeds anders. De interessante schilderijen hangen niet allemaal in Wassenaar of Laren, vaak juist in gehuchten in de buitengebieden. Het is rechercheren. We kopen vooral in Nederland, Duitsland en België en we komen overal terecht, in de grootste kastelen, maar ook in achterstandswijken. En vaak is het voor niets, dan blijkt een schilderij vals te zijn of heeft het een twijfelachtige signatuur. Maar we maken ook mee dat we bij een collectioneur voor een bepaald doek binnenkomen en met iets anders vertrekken. Wij gaan wegen die tot verrassingen leiden: in de afgelopen dertig jaar heb ik negen Van Goghs gehad, allemaal ontdekt bij particulieren. Soms stuit je op een bijzonder schilderij dat al eeuwen in familiebezit is. Het is voor ons interessant om zo'n schilderij dat nooit op de markt is geweest te traceren. Wat op de veiling hangt is meestal eerder verhandeld en een beetje déjà vu.''
Peter Albricht gaat wel naar kijkdagen van veilingen, `om op de hoogte te blijven', maar hij is al jaren niet meer bij een veiling geweest: ,,De veilingen zijn ontdekt door particulieren, als ik daar mijn vinger opsteek, krijg ik mijn eigen klanten achter me aan. Die redeneren: wat Albricht biedt, dat bied ik ook. Dus als ik al iets op de veiling koop, dan bied ik telefonisch.''
Vervalsingen
Op de dag dat ik de Albrichts spreek, is net het boek Valse kunst.Hoe de kunstkoper bedrogen wordt verschenen. De auteurs, Sander Kooistra en Ard Huiberts, verklaarden een paar dagen eerder op de televisie dat twintig procent van de schilderijen op de Nederlandse kunstmarkt vals is. Peter Albricht zag hun optreden en is nog niet van zijn woede bekomen: ,,Het is ongepast om de hele kunsthandel over één kam te scheren. Er zijn veilingen waar vijftig of tachtig procent van de kunstwerken vals is, maar er zijn ook veilinghuizen die serieus onderzoek doen en waar je veilig kunt kopen. Bij de PAN en de Tefaf wordt alles streng gekeurd en er is daar een grote sociale controle. De bonafide kunsthandel heeft een naam hoog te houden. Die twee knapen brengen met hun boek het hele metier in diskrediet, ik vind alleen de ondertitel al schandalig.''
,,Het probleem is dat kunstvervalsers vrij spel hebben in dit land. De politie kan een vervalser alleen oppakken als hij betrapt wordt op het moment dat hij Jacob Maris op een schilderij zet. Zo is de Nederlandse wet. Ja, ik vind dat die wet moet worden veranderd. U moet eens kijken hoe ze achter vervalsers van het 100-eurobiljet aangaan, maar kunstvervalsers hebben niets te vrezen in dit land. De malafide veilinghuizen kennen ze, het zijn de lieden die daar altijd weer kunst inbrengen en die moeten gewoon van hun bed worden gelicht. Maar in Nederland heeft dit geen prioriteit. De afdeling Kunst en Antiek van de Centrale Recherche Informatiedienst, de CRI, is twee jaar geleden opgeheven. Ik was een zwaar tegenstander van die opheffing. Het was een goede instelling, die preventief werkte en met hun lijsten van gestolen waar de kunsthandel tegen veel narigheid beschermde. Ik had net een collega aan de lijn die een beeld had gekocht dat gejat bleek te zijn. Zoiets is niet leuk.''
Albricht acht de kans klein dat hij zelf een vals schilderij voor echt aanziet: ,,Ik kijk goed uit, ik ben veel te kwetsbaar. In die dertig jaar heb ik wel eens schilderijen ingekocht waaraan ik twijfelde. Als je bijvoorbeeld een hele collectie inkoopt, is er wel eens een doek bij dat misschien niet deugt. Dat onderzoek ik dan samen met een kunsthistoricus en als het inderdaad niet goed lijkt, breng ik het op de veiling met de vermelding `Hollandse school', ook al staat er een bekende signatuur onder. `Hollandse school' is een duidelijke indicatie dat er een groot vraagteken staat bij zo'n schilderij.''
Peter en Bob Albricht voeren mij door de statige expositiezalen, langs zeegezichten, landschappen, stillevens, portretten en genrestukken. ,,Wij streven naar een museale opstelling'', zegt Peter Albricht. ,,Museumpje spelen vinden we leuk. Als je die schilderijen alleen met het oog op geld verdienen zou ophangen, kun je er drie op een schotje kwijt.'' Alleen bij schilderijen onder de 50.000 euro staat een prijs vermeld, voor de duurdere kan de bezoeker een lijst raadplegen en boven de 150.000 euro wordt de prijs op aanvraag meegedeeld. Albricht vertelt dat ze de schilderijen gemiddeld een à twee jaar in huis hebben voor ze worden verkocht, maar soms niet meer dan één dag. Een deel van de expositie verhuist begin december naar zijn stand op de PAN in Amsterdam, maar daar zullen ook andere topstukken hangen, zoals een Gemberpot met rozen (1909) van Floris Verster.
Tijdens de rondgang wijst Albricht me hoe mooi een boot voor de wind ligt op een zeestuk van Abraham Hulk, of hoe fijnzinnig Maria Vos op een stilleven vissen, penen en bloemkolen weergaf. We staan lang stil bij een kubistisch Bloemstilleven met cyclamen van Jan Sluijters uit 1913. Albricht beaamt dat dit eigenlijk in een museum thuishoort: ,,Een potentiële koper zou het Larense Singermuseum zijn, maar dat heeft weinig geld. En Nederland heeft geen museum voor negentiende- en vroeg twintigste-eeuwse kunst. Dat is onbegrijpelijk, want er is een enorme belangstelling voor.''
Datum: 21-11-2003
Sectie: CS
Pagina: 20
Info: `Kijken en zien', jubileumexpositie bij Kunstgalerij Albricht, Utrechtseweg 107, Oosterbeek. T/m 30 nov. Wo t/m zo 11-17u. Kunst- en antiekbeurs PAN, 7 t/m 14 dec. 11-19u, (zo tot 18u), RAI, Amsterdam.
Foto-onderschrift: Peter Albricht (r) en zijn zoon Bob Albricht foto Vincent Mentzel